Stein start met toeristische projecten lees meer ...
06-09-2010
Zoogdiervereniging: Wilde zwijnen in Groote Peel lees meer ...
Limburg algemeen
Algemeen
Limburg is een van de twaalf provinciën van Nederland, gelegen in het zuidoosten van het land met een totale oppervlakte van 2209 km2 en 1,1 miljoen inwoners.
Zuid-Limburg is het zuidelijke deel van deze provincie. Hier vinden we ook de hoofdstad van de provincie: Maastricht.
Zuid-Limburg wordt begrensd door Belgische provincies Limburg en Luik (west-, zuidwest- en zuidgrens) en het Duitse Land Nordrhein-Westfalen (oostgrens).
De provincie wordt van zuid naar noord doorstroomd door de Maas, die tussen Maastricht en Stevensweert de grens met België vormt; parallel aan de Maas loopt het Julianakanaal (Maastricht-Maasbracht).
Zuid-Limburg reikt van NAP +60 m tot de Vaalserberg (NAP +321 m) in de uiterste zuidoostpunt van de provincie en kan als heuvelland worden gekarakteriseerd.
Sociale geografie Limburg
In Limburg treft men op vele plaatsen de sporen aan van een bewogen historische ontwikkeling, die sterker gebonden was aan invloeden van wat thans buitenland heet, dan aan de eigen nationale ontwikkeling. De Maas, als handelsweg tussen de kustgebieden en de Rijn, is bepalend geweest voor het vroege ontstaan van bloeiende steden als Maastricht, Venlo, Roermond en Gennep, die als centra van bestuur en handel een belangrijke aantrekkingskracht uitoefenden op het omringende platteland. Het economisch beeld werd beheerst door deze steden, die tevens marktplaats voor de agrarische producten van het omringende platteland waren.
De schutterijen in het middelpunt van de Limburgse samenleving. Met als voorbeeld Schutterij Sint Sebastianus uit Eys.
De bodemrijkdom van Limburg (klei, krijt, mergel en zilverzand) was weliswaar de aanzet tot industriële ontwikkeling, maar het zou de steenkool zijn die de economische omwenteling van agrarisch naar industrieel gewest volledig maakte. Aan het einde van de 19de eeuw begon het algemene beeld van Limburg tekenen te vertonen die wezen op het afsluiten van een lange periode van vrij eenzijdige economische structuur.
Voor 1900 kende Limburg slechts één steenkolenmijn, de Dominiale Mijn, een voortzetting van de kolenwinning in dagbouw tijdens de middeleeuwen door de abdij van Rolduc. Toen echter de Industriële Revolutie ook in Nederland de vraag naar brandstof aanmerkelijk deed stijgen, werd vanaf 1899 in Zuid-Limburg in snelle opeenvolging een groot aantal mijnen geopend en nam de ontwikkeling van economie en welvaart een hoge vlucht.
Aan het eind van de jaren vijftig werd duidelijk dat de belangrijke positie van steenkool als eerste brandstof in de komende jaren in snel tempo zou worden ingenomen door aardolie en aardgas.
De mijnsluitingen, Heerlen
In 1966 leidde dit tot de eerste mijnsluiting, een proces dat tot in de jaren zeventig zou duren en dat leidde tot een direct verlies van ruim 50!000 arbeidsplaatsen (een kwart van de totale werkgelegenheid), nog afgezien van het verlies aan arbeidsplaatsen in de mijnafhankelijke ondernemingen; in 1974 ging de laatste kolenmijn dicht en behoorde de kolenwinning in Limburg tot het verleden. In een drietal mijnnota's en de eerste Perspectievennota Zuid-Limburg (looptijd 1978-1981) maakten regering en provinciaal bestuur de uitgangspunten voor een beleid voor Zuid-Limburg kenbaar, een beleid dat in de eerste plaats was gericht op herstructurering van de economie en het wegwerken van de regionale werkloosheidscomponent, dwz. van de werkloosheidsverschillen tussen Zuid-Limburg en Nederland.
Ondanks het feit dat een groot aantal nieuwe industriële ondernemingen zich in het zgn. herstructureringsgebied vestigde (waarvan de voormalige DAF-personenautofabriek te Born als eerste en belangrijkste), een aantal belangrijke rijksdiensten geheel of gedeeltelijk naar de Oostelijke Mijnstreek werd verplaatst (o.a. het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en het Centraal Bureau voor de Statistiek), en ondanks de oprichting van de Rijksuniversiteit Limburg (sedert 1997 Universiteit Maastricht) te Maastricht (1976), lag aan het einde van de jaren zeventig de werkgelegenheid lager dan in 1966, toen met het herstructureringsbeleid was begonnen. De tweede perspectievennota (1982-1985) bracht meer succes: eind 1985 was de regionale werkloosheidscomponent teruggebracht tot 3,3%.
Hoewel de doelstelling niet geheel werd gehaald, had het resultaat een derde nota tot gevolg (1985-1990). In deze derde periode werd door het provinciaal bestuur een nog selectiever beleid gevoerd, dat vooral was gericht op structuurversterking in de marktsector. Daarbij werden nieuwe ontwikkelingen in sectoren (m.n. in de telematica, medische technologie, transport en toerisme), die van belang werden geacht voor de nationale welvaartsgroei, gestimuleerd. Voorts werd de samenwerking tussen de verschillende opleidingsinstituten in de provincie en het aangrenzende buitenland bevorderd en werden internationale educatieve instellingen gestimuleerd zich in de provincie te vestigen.
Limburgs landschap en de economische waarde
In de toekomst zal de toename van de werkgelegenheid in Limburg niet alleen worden gezocht in een verdere industriële ontplooiing, maar m.n. in een uitbouw van de dienstverlenende bedrijfstakken (tertiaire sector). Daarbij wordt niet alleen gedacht aan een verdere overplaatsing van rijksdiensten, maar ook aan een ontwikkeling van de commerciële dienstverlening (vervoer, transport, bankwezen, groothandel, zakelijke diensten). Met de ontsluiting van de provincie door een aantal autosnelwegen worden de voorwaarden voor vestiging van nieuwe economische bedrijvigheid verruimd. In de streekplannen voor resp. Zuid-Limburg en Noord- en Midden-Limburg is voorzien dat de ontwikkeling van de economische activiteiten, alsmede van de woonfunctie, zoveel mogelijk zal worden geconcentreerd in de stedelijke gebieden.
Toerisme Limburg
Sinds de jaren zestig is in grote delen van Limburg de recreatieve functie toegenomen, m.n. vanwege de unieke natuurgebieden die de provincie rijk is. De omvangrijke ontgrindingen langs de Maas, die het grootste deel van de Nederlandse grindproductie leveren, hebben uitgestrekte plassengebieden doen ontstaan, die voor een niet onbelangrijk deel voor de watersport zijn of worden ingericht. Naast het vanouds drukbezochte heuvelland van Zuid-Limburg (vergezichten, grotten, voorjaarsbloei van de fruitbomen, Brunssummerheide, kastelen en landhuizen), met Valkenburg als belangrijkste centrum, heeft de landschappelijke aantrekkelijkheid van Noord- en Midden-Limburg (rivierengebied met ten oosten van de Maas aaneengesloten heuvelcomplexen met loof- en naaldhoutbossen, zandverstuivingen, grove dennenbossen en heideterreinen met vennen en voorts De Peel) geleid tot een sterke toename van recreatie en toerisme.
Sinds de jaren zeventig is de stad Maastricht steeds meer in trek bij dag- en weekendtoeristen (winkelapparaat, historische stadskern met pleinen en terrassen); daarnaast trekken de traditionele carnavals- en schuttersfeesten jaarlijks veel toeristen. Daarnaast is ook Parkstad Limburg sterk in opkomst als toeristisch gebied. Vooral het gebied tussen Kerkrade en Landgraaf, Park Gravenrode, wordt een van de grootste toeristische trekpleisters van Zuid-Nederland: Wereldtuinen Mondo Verde, het grootste overdekte wintersportcentrum van de wereld SnowWorld Landgraaf en GaiaPark Kerkrade Zoo, het eerste thema-dierenpark van West-Europa!
Van de musea zijn vermeldenswaard het Thermenmuseum (1977; Heerlen), met als belangrijkste attractie de sinds 1940 opgegraven Romeinse thermen, het Industrion (Kerkrade), het Archeologisch Reservaat (Stein), rond een graf uit de Seine-Oise Marne-cultuur en het Bonnefantenmuseum (oude en moderne kunst, zie foto) en het Spaans Gouvernement (oude schilder- en beeldhouwkunst, meubilair), beide te Maastricht; religieuze kunst wordt tentoongesteld in de zeer bezienswaardige schatkamers van de O.-L.-Vrouwebasiliek en de St.-Servaas, eveneens te Maastricht.
Limburgse geschiedenis
Limburg is genoemd naar de burcht "Limbourg", gelegen aan het riviertje de Vesdre in de Ardennen, die de zetel was van een middeleeuws vorstendom waarvan ook een gedeelte van het Maasland ten noorden van Luik deel uitmaakte. Na de Napoleontische tijd voegden de grote mogendheden het gebied bij het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, waartoe ook Belgie behoorde.
De eerste koning, Willem I, gaf het de naam Limburg. Na de afscheiding van België werd Limburg in 1839 tussen beide landen verdeeld. Haar strategische ligging maakte Limburg eeuwenlang tot een omstreden gebied voor Europese grootmachten. Romeinen, Spanjaarden, Pruisen, Oostenrijkers en Fransen zijn er heer en meester geweest. In 1673 leidde Lodewijk XIV, de Zonnekoning, persoonlijk het beleg van Maastricht door de Franse troepen. Bij dit beleg kwam een van zijn adjudanten, graaf Charles d'Artagnan, om het leven. Hij werd bekend als een van de musketiers in het gelijknamige werk van Alexandre Dumas (1802-1870).
Ook in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) waarin Nederland zich ontdeed van de Spaanse overheersing, was Limburg vaak een bloedig strijdtoneel. Bij de slag op de Mookerhei (14 april 1574) kwamen twee broers van prins Willem van Oranje Nassau en duizenden "hollandse" huurlingen om het leven.
In de Tweede Wereldoorlog had Limburg veel burgerslachtoffers te betreuren. Een groot aantal steden en dorpen werd door bombardementen en artilleriegevechten verwoest. Aan deze zwarte bladzijde in de Limburgse geschiedenis herinneren ook diverse begraafplaatsen. Op het erekerkhof bij Margraten zijn 8400 Amerikaanse militairen begraven die sneuvelden bij de bevrijding van Nederland. Voor de 31.000 Duitse gesneuvelden werd een centrale begraafplaats ingericht in Ysselsteyn, gemeente Venray.
Het Limburgse klimaat
Limburg neemt een bijzondere klimatologische plaats in onder de Nederlandse provincies. De zandgronden, in het midden en noorden, en de lössgronden in het zuiden, alsmede de heuveltoppen, de plateaus en de rivier- en beekdalen hebben allen hun eigen microklimaat en dat leidt vaak tot grote onderlinge verschillen in weersomstandigheden. Bovendien ligt het hoogste- en tegelijkertijd regenrijkste punt van Nederland, de Vaalserberg met een top op 322 meter boven NAP, ook in de provincie. Het zuiden van de provincie bevindt zich juist aan de noordzijde van de Ardennen en onder bepaalde omstandigheden kan "föhn" daar voor hogere temperaturen zorgen.
bron: Encarta Encyclopedie en Meteo van der Giessen